skip to Main Content

Omdat CAOS en PAOS gradatie 6 over het algemeen pas worden ontdekt als een meisje niet gaat menstrueren, speelt de geslachtskeuzevraag hier vrijwel nooit een rol. Ook enzymdefecten, zoals 17ßhsd en 5αrd, worden vaak niet herkend bij de geboorte, zodat ook hier de geslachtskeuze niet aan de orde is.

Maar bij niet-eenduidige geslachtskenmerken worden de ouders meteen geconfronteerd met de moeilijke vraag of ze hun kind als jongen of als meisje moeten opvoeden.

Bij pasgeboren kinderen met gradatie 1 of 2 is het beeld van de genitaliën dusdanig mannelijk, dat het kind in de meeste gevallen als jongen zal worden opgevoed, terwijl kinderen met de hogere gradaties (5, 6 en 7) vrijwel altijd als meisje zullen worden opgevoed. Het moeilijkst is de geslachtskeuze bij de gradaties 3 en 4.

Quigley en French

Ondanks de ogenschijnlijk duidelijke indeling van Quigley en French, kan het maken van de juiste geslachtskeuze bij niet-eenduidige geslachtskenmerken erg moeilijk zijn. Uiteindelijk zal alleen het kind zelf kunnen bepalen of de voor hem of haar gemaakte keuze de juiste keuze is geweest. Bij een klein aantal van hen blijkt dit niet zo te zijn: het toegekende geslacht komt dan niet overeen met hun genderidentiteit – het gevoel man of vrouw te zijn.

Quigley en French gaan immers uit van de uiterlijke kenmerken. Hoewel men er lang van is uitgegaan dat de mate van vermannelijking een indicatie zou zijn voor de mate van androgeen(on)gevoeligheid, daarmee bepalend voor de uiteindelijke genderidentiteit van het kind, zijn er een aantal onderzoeken die dit verband minder aannemelijk maken.

John Money - Nurture of NatureJohn Money

In de vijftiger jaren van de vorige eeuw ging men er nog vanuit dat de genderidentiteit een kwestie van de juiste opvoeding was. Aanhangers van John Money’s ‘nurture over nature’-theorie (opvoeding boven natuur) stelden dat de geslachtskeuze geheel kan worden bepaald door de uiterlijke kenmerken van het kind; zelfs als deze uiterlijke kenmerken door mensenhanden waren bepaald. Volgens Money’s theorie zal een kind met niet-eenduidige geslachtskenmerken dat operatief is ‘genormaliseerd’, zonder problemen in het gekozen geslacht opgroeien, indien de ouders het kind consequent volgens het gekozen geslacht blijven opvoeden. Met andere woorden: plaats een kind in een roze kamer en het wordt een meisje, plaats het in een blauwe kamer en het wordt een jongen. De ideeën van Money zijn inmiddels aantoonbaar onjuist gebleken, maar desondanks zijn er nog steeds artsen die zijn theorie aanhangen.

De keuze om een kind met niet-eenduidige geslachtskenmerken als jongen of als meisje op te voeden is dus, net als de uiterlijke geslachtskenmerken, geenszins bepalend voor de uiteindelijke genderidentiteit.

Ideeen kort samengevat: roze en blauw

John Money’s ideeën kort samengevat: zet je een kind in een roze kamer dan wordt het een meisje, zet je het in een blauwe kamer dan wordt het een jongen. Achteraf lijkt het voor de hand te liggen dat het anders werkt.

Tegenwoordig zijn er diverse DNA-onderzoeken beschikbaar waarmee verschillende aandoeningen als gevolg van een gendefect kunnen worden aangetoond. Maar informatie over het gendefect biedt geen hulp bij de geslachtskeuze.

AOS wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door een defect op het AR-gen; inmiddels zijn er ruim driehonderd verschillende mutaties van het Androgeen Receptor-gen bekend. Binnen families met CAOS zal vrijwel nooit een lagere AOS-gradatie worden aangetroffen. Maar bij PAOS kan het voorkomen dat twee kinderen in dezelfde familie weliswaar precies dezelfde AR-gen mutatie bezitten, terwijl er toch sprake is van verschillende gradaties – waardoor het ene kind als jongen wordt opgevoed en het andere kind als meisje.

Secundaire 5ARD of andere gendereffecten

Deze verschillen in vermannelijking zijn niet eenvoudig te verklaren. Een aantal onderzoekers gaan uit van ‘secundaire 5-alpha reductase deficiëntie’, waarbij de gevolgen van het gendefect nog worden versterkt door een niet-optimale werking van het enzym dat de omzetting van testosteron naar het veel krachtiger hormoon dihydrotestosteron (DHT) regelt. Dit zou wel de lichamelijke verschillen verklaren, maar nog niet de verschillen in de genderidentiteit. Het kan echter ook zijn dat de verschillen worden veroorzaakt door andere gendefecten, waarvan de rol op dit moment nog niet is onderzocht.

Hormonale grondslag genderidentiteit

Het is aannemelijk dat de genderidentiteit, net als de overige geslachtkenmerken, vroeg in de zwangerschap wordt bepaald door hormonen. Een mannelijke genderidentiteit wordt dan ‘aangemaakt’ door een hoeveelheid androgenen die op het juiste moment door het kind moeten worden ontvangen. Kinderen met CAOS zullen dat signaal nooit ontvangen, omdat ze ongevoelig zijn zijn voor androgenen. Echter, of kinderen met niet-eenduidige geslachtskenmerken het signaal ook niet zullen ontvangen, is afhankelijk van de mate waarin ze ongevoelig zijn voor androgenen. Grofweg mag worden gesteld dat de hoogste gradaties vrijwel altijd een vrouwelijke genderidentiteit hebben, terwijl de laagste gradaties vrijwel altijd een mannelijke genderidentiteit hebben. Bij de gradaties 3 en 4 is het daarom het moeilijkst om een geslachtskeuze te maken.

Al met al is er op dit moment geen enkele manier om de uiteindelijke genderidentiteit van een kind met een Disorder of Sex Development met honderd procent zekerheid te kunnen voorspellen.

Verkeerde geslachtstoekenning

Behalve het lichaam kan ook de genderidentiteit bij niet-eenduidige geslachtskenmerken variëren van mannelijke naar vrouwelijk; een niet-gering aantal mensen met PAOS zal daar zelfs ‘en alles daar tussenin’ aan toevoegen. Maar uiteindelijk zullen de meeste mensen met PAOS kiezen voor een van beide uitersten: een vrouwelijke genderrol met bijbehorend lichaam, of een mannelijke genderrol met bijbehorend lichaam.

Het probleem bij niet-eenduidige geslachtskenmerken is dat artsen en ouders vooral bij de lagere gradaties niet met zekerheid kunnen zeggen of het kind zich uiteindelijk tot een jongen of een meisje zal ontwikkelen. Soms blijkt de geslachtskeuze die op jonge leeftijd is gemaakt, uiteindelijk niet de juiste keuze te zijn. Soms accepteert en integreert iemand met niet-eenduidige geslachtskenmerken dit in de eigen identiteit en kiest diegene voor een ‘tussengender’. In andere gevallen kiest iemand na een onjuiste geslachtstoekenning zelf voor een definitieve verandering van genderrol. Een geslachtsaanpassende operatie die daarop volgt, wordt echter per definitie geslachtsverandering genoemd. Daarom is het wellicht beter om te spreken over ‘een terugkeer naar de oorspronkelijk al aanwezige, maar door anderen verkeerd geïnterpreteerde genderidentiteit’. Eventuele geslachtsaanpassende operaties mogen nooit als transseksualiteit worden benoemd. Ook de DSM-IV, de door psychologen en psychiaters gehanteerde lijst van psychiatrische aandoeningen, sluit de diagnose transseksualiteit nadrukkelijk uit als er sprake is van een biologische intersekse-aandoening.

Swaab en Chung

De Nederlandse onderzoekers Swaab en Chung hebben aangetoond dat er een anatomisch verschil is tussen de hersenen van mensen met een mannelijke en mensen met een vrouwelijke genderidentiteit. Bij dit onderzoek waren geen mensen met een intersekse-aandoening betrokken; bovendien is het verschil pas na de puberteit aantoonbaar. Kinderen met een intersekse-aandoening zullen dan over het algemeen zelf al hebben aangegeven of zij zich man of vrouw voelen. Swaab verwacht echter dat in de toekomst ‘markers’ zullen worden gevonden waarmee de toekomstige genderidentiteit van kinderen nauwkeuriger kan worden voorspeld dan nu het geval is.

Meer informatie? Bekijk dan de volgende pagina’s:

Back To Top
Zoeken